|
Ingezonden brief van T. Tromp n.a.v. het artikel 'De koningsletter ontroond'
(Seizoener winter 2009)
De Koningsletter onttroont, maar niet gevallen !
Hij staat in zijn koninkRIJK
De aanleiding dat ik een bericht naar u stuur is een artikel wat in de Seizoener, winternummer van ’09, is verschenen over het schrijfonderwijs met als titel: De onttroning van de koningsletter.
In dit artikel wordt een verbinding gelegd met de Begeleidingsdienst voor Vrije Scholen omdat er gesproken is met een of meerdere medewerkers van de dienst, vandaar dat ik naar de dienst reageer. Ik werk al meer dan dertig jaar op de vrije school en heb vier eerste klassen gehad en dus ook met het lezen en schrijven mijn ervaringen opgedaan. Ik was en ben nog steeds zeer onder de indruk van de pedagogische en didactische inzichten en aanwijzingen die door Rudolf Steiner gegeven zijn en heb mogen ervaren hoe vruchtbaar die kunnen zijn voor de kinderen.
Vorig jaar is Paul van Meurs bij ons op school geweest en heeft ons begeleid bij een proces om op onze school het lees- en vooral het schrijfonderwijs, op een noemer te krijgen voor onze school. Daar wierp hij wat knuppels in het hoenderhok zoals hij dat uitdrukte en daar heb ik ook voor het eerst vernomen dat er scholen waren die het aan elkaar schrijven vervroegden en dat de letterbeelden op de achtergrond verdwenen op die scholen. Dat verbaasde mij zeer en ik dacht dat dat slechts een enkele school was. Nu merk ik dat deze werkwijze veel meer verspreid is en dat er ook vanuit de Begeleidingsdienst in die richting geadviseerd wordt en dat ook op de opleiding deze zienswijze verspreid wordt en dit alles bij elkaar zorgde ervoor dat dit onderwerp me niet los liet. Met name ook, omdat in het werken met Paul verschillende argumenten om een andere weg te gaan volgen met het schrijfonderwijs, door ons niet zo overgenomen konden worden en er in het college voor ons steekhoudende tegenargumenten naar voren zijn gebracht.
In het artikel worden de beweegredenen wat duidelijker en die zouden de ingeslagen weg moeten ondersteunen waarbij wat mij betreft het artikel ook wat tendentieus overkomt, want de traditionalisten willen niet van hun gewoonte afwijken en staan dan wat te huilen.
Wat ik nu uit dit artikel opmaak is:
1 Er zijn persoonlijke ervaringen als kind geweest die frustreerden
2 Gewoonte vorming mag je niet veranderen, want dat frustreert
3 Eerste klassers of ook tweede klassers zouden zich op papier niet goed meer kunnen uitdrukken en kregen de pest er in
4 Er werden letters gemixt
5 Het handschrift was niet snel mooi
6 Kinderen kunnen wat motorisch is vastgelegd lastig afleren
7 Kinderen die moeite hebben met automatiseren zouden drie soorten schrift moeten aanleren
8 Er is te weinig tijd
9 Er wordt te weinig geoefend
10 Ze moeten steeds een ander schrift aanleren en dat is verwarrend
11 Steiner wilde dat het schrift niet kaal werd, vandaar die kapitalen, dat mooi maken kun je ook met de kleine letters
12 Steiner vergist zich, spreekt zich tegen
13 De Vrije school werkt heel statisch
14 Fijne motoriek oefen je met kleine materialen en de fijne motoriek moet zo snel mogelijk aanwezig zijn bij het schrijven tussen de lijntjes
15 Schrijven is heel ambachtelijk
16 Ook op vrije scholen zijn kinderen die motorisch slecht ontwikkeld zijn
17 Schrijven kost veel kinderen grote inspanning ze zouden piano moeten spelen
18 Schrijven en lezen zijn bedachte instrumenten die kunnen ook wegvallen door de vlucht van digitalisering om te kunnen communiceren
Ik weet niet of de Begeleidingsdienst al deze argumenten onderschrijft en dat ook als argumenten kan laten gelden voor de gekozen weg naar snel aan elkaar schrijven en het weglaten van de kapitalen.
In ieder geval heb ik heel andere ervaringen opgedaan en heb ik ook heel andere argumenten gehoord, geleerd en gelezen die me juist bevestigden in de vruchtbaarheid van de lees en schrijfweg die door Steiner, en anderen later uitgewerkt, wordt aangeboden.
1 Bij de frustrerende ervaringen die een kind opdoet vraag ik me af, of dat voor een eerste klas kind nog zo duidelijk voor de geest staat, dat dat komt doordat er op een bepaalde manier geleerd wordt te lezen en te schrijven, zonder dat daarbij traumatische belevingen aan te pas komen. Dat kan ik niet beoordelen, maar ik vraag me af of dat dan perse aan de gekozen werkwijze ligt of dat het aan de capaciteit van de leerkracht heeft gelegen. Hoe dan ook, dat mag geen argument zijn om een manier van scholing af te wijzen, dat is me dan gewoon te persoonlijk en is voor mij niet te herkennen.
2 Gewoontevorming is een hoog goed binnen het vrije school onderwijs en juist het veranderen van gewoontes is goed om het wilsleven te scholen. Het ligt er maar net aan hoe je dat doet en in welk tijdsbestek je dat doet. Je moet er in ieder geval de tijd voor nemen en je moet het zo aanbieden dat de kinderen graag met jou als autoriteit mee gaan in het proces, niet de stemming van de kinderen bepalen een inzicht in didactiek en pedagogiek, maar de inzicht en het geschoolde vermogen van de leerkracht.
3 Het is maar de vraag hoe goed een eerste klasser zich op papier moet kunnen uitdrukken. Zeker zal dat meespelen in het hele proces, maar dat is toch niet het begindoel, zich kunnen uitdrukken is per leeftijdsfase anders en kan en moet op de verschillende leeftijdsfasen ook een ander accent hebben. In de eerste klas is het intellectueel uitdrukken in ieder geval helemaal nog niet aan de orde en zou voor de ontwikkeling van de kinderen juist schadelijk zijn. Ze leren zich uit te drukken door spreken, tekenen, schilderen en op andere kunstzinnige wijze en dat is vaak naar aanleiding van wat ze aangeboden wordt en niet zozeer geheel uit zichzelf, dat is een langer proces waar eerst een voeding aan de ziel vooraf gegaan moet worden. Ook hier vraag ik me af wat ik in de klas zou moeten aanrichten zodat de kinderen er de pest in krijgen wanneer ze iets op papier zouden moeten brengen. Wat hebben die kinderen dan moeten doen en was dat wel overeenkomstig de leeftijdsfase en was dat ondersteund door de pedagogiek die we vrije school pedagogiek mogen noemen. In ieder geval hebben de kinderen in mijn klas graag het versje wat ze al kende op papier gezet met de kapitalen en er volgde steeds meer in de loop van de tijd een eigen woordje of zinnetje. Wat waren ze trots en voldaan.
4 In de eerste klas gaat het niet om het leren schrijven, maar om te leren lezen in eerste instantie. Ik heb eigenlijk nog nooit op langere zicht gezien een kind in de klas gehad die moeite had om na het ene lettertype een ander lettertype te leren. Integendeel. Doordat we een jaar lang ons echt intensief en op vele manieren met de kapitalen, dus het leren lezen , hadden bezig gehouden, waren de kinderen heel natuurlijk bereid om de kleine letters te leren zoals ze dat al in hun omgeving hadden gezien. Natuurlijk vroegen de kinderen daar ook wel eens naar, maar wanneer je als leerkracht zelf overtuigd bent van de diepere achtergronden waarom je dat zus of zo doet, dan is dat geen probleem en het is ook goed voor de kinderen om zich ergens op te kunnen verheugen, dat is een grote kwaliteit , geduld te hebben en je op iets te kunnen verheugen. Ieder lettertype vraagt om voldoende inleiding, veel variatie in oefening, dan heeft de leerkracht er zelf plezier in en de kinderen ook. Het is een kwestie van instelling en van weten hoe je het een en ander zinvol kunt aanbieden. Snelheid is daarbij een slechte raadgever.
5 Dat een mooi handschrift plezierig is om naar te kijken en dat het iets is waar aandacht aan besteed moet worden, dat is duidelijk. Alleen is de vraag wanneer dat van kinderen, gezien hun leeftijdsfase, ook verwacht mag worden, hoe mooi is mooi en wat is mooi? Ieder kind zal daar in een ander proces staan, niet alle kinderen kunnen hetzelfde op dezelfde tijd, veel belangrijker is het, of een kind iets mag doen, wat de ontwikkeling, waar het kind op dat moment mee bezig is, zo goed mogelijk ondersteunt. Het werken aan een handschrift is toch niet het doel op zich, maar een middel om iets anders wat veel belangrijker is te begeleiden, zodat er gezonde kwaliteiten geboren kunnen worden. Of anders begrijp ik het hele vrije school onderwijs niet meer. Natuurlijk zegt de inspectie en ook de ouder, die dat niet uitgelegd wordt, heel iets anders, maar dat is toch niet de maatstaf. En wanneer Steiner over iets als “mooi” zou spreken, dan had hij dat woord niet in zijn mond genomen, want mooi zegt natuurlijk helemaal niets over de kwaliteit van de dingen. Steiner wilde zeker dat een en ander op kunstzinnige wijze werd benaderd en wel omdat hij wilde dat die diepere laag in de kinderen bereikt werd. De kapitalen zijn bij uitstek geschikt om via de oorspronkelijke beeldkracht die er nog in te zien is de kwaliteit van een letter dieper met de kinderen te laten verbinden. Met het beeld wordt gewerkt, niet alleen in tekeningen die steeds kaler gemaakt worden, maar ook door versjes te lopen waarin de letter in het begin van het woord steeds voorkomt en waarbij de kinderen ook een gebaar bij die letter maken, steeds wanneer ze die horen, de letter kan geschilderd of met gescheurde snippers geplakt worden. Ook kan men de letter op de grond lopen met het gezicht steeds naar voren gericht of kneden in was of klei, in vormtekeningen gevarieerd geschreven met strakke lijnen, met golvende lijnen, of lang gerekt of juist gedrongen of van groot naar klein en omgekeerd. Dat is allemaal heel zinvol en sterkt het kind van binnen, zeker wanneer er aan het werk ook eisen gesteld worden, op een motiverende manier natuurlijk. De kinderen worden dus niet via het intellect naar de wil gevoerd, gedwongen, maar via de wil, met als kruiwagen het woord, het verhaal, het beeld, naar het intellect. De natuurlijke kinderweg dus. En dan is het zoeken naar de grootste uitdrukkingskracht van een letter en die ligt in de hoofdletter, waarbij lettervorm en beeld elkaar moeten dekken. Vandaar de geweldige Koningsletter, want die dekt voor de ‘K' de lading. Voor de duidelijkheid, de staart van een muis gevormd tot een “S” en dat dan de muizenletter noemen is gewoon helemaal fout. De kwaliteit van de letter “K” kan zo in de kinderziel een goede waarheidsvulling krijgen. Het vult de kinderziel, geeft brood aan de ziel, iets waar tegenwoordig de kinderen naar schreeuwen, veel belangrijker dan dat ze op tijd aan elkaar leren schrijven. Het mag duidelijk zijn dat een mooie tekening van een kleine letter nooit en te nimmer de lading kan dekken zoals Rudolf Steiner dat bedoeld heeft. Het is hem nooit om wat versieren te doen geweest, daarvoor had hij een veel te groot inzicht in het wezenlijke van de kinderziel en de vraag die de ziel op een bepaalde leeftijd heeft. Hij was er dus veel te groots voor.
6 Als iets motorisch is vastgelegd, dan zal het misschien wel moeilijk zijn om het af te leren, maar dat is nog geen argument om het niet te doen. Het is misschien wel juist heel goed om iets wat vastgelegd is in de motoriek in beweging te brengen. Je schoolt er in ieder geval het wilsleven mee en dat is vooral in onze willoze tijd niet eens het allerslechtste. Integendeel, ook hier geeft de vrije school pedagogiek de dieper liggende doelstelling. Het gaat met name om de ontwikkeling van de wil om het gehele zielegebied van het kind te kunnen ontwikkelen.
7 Natuurlijk stoort het wanneer je tot doel hebt om de kinderen zo snel mogelijk zo “mooi”mogelijk aan elkaar te laten schrijven, wanneer er vooraf andere letters geleerd zijn, maar wanneer je dat niet als doel hebt maar andere ontwikkelingsdoelen, dan is het juist heel goed wanneer er andere bewegingen vooraf gegaan zijn en wanneer die bewegingen uitvoerig geoefend zijn op allerlei manieren en helemaal tot hun recht kunnen komen. Want anders zouden we bij vormtekenen toch ook meteen met de knoopvormen in de eerste klas kunnen beginnen. Dat doe je niet omdat er nog geen voortgaande ik-geboorte heeft plaatsgevonden die in de vierde klas aan de orde is. Het oefenen met de bewegingen van de grote letters in de eerste klas sluit naar mijn waarneming en ook volgens Steiner helemaal aan bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind. De kleine letters in de tweede klas kunnen met veel enthousiasme aangeboden en ook weer op allerlei manieren geoefend worden, kunstzinnig dus. Je kunt het gewoon zien als een vormteken proces, steeds fijner worden de vormen en die kunnen de kinderen ,omdat ze ook op vele andere gebieden daar ook motorisch aan oefenen, heel vanzelfsprekend in een lopend schrift aan elkaar laten stromen. Om dat te kunnen is een groeiproces vooraf noodzakelijk en dat mag niet vervroegd worden, het gaat er meer om, om de jaren ervoor zo veelzijdig met het hele kind bezig te zijn dat die natuurlijke ontwikkeling goed begeleid wordt, ook op motorisch gebied, zodat de kinderen van zich uit voldoende vaardigheden hebben om het lopend schrift te volbrengen. Het was voor mijn klassen een heel vanzelfsprekend proces, dat aan elkaar schrijven kon ik nu echt van ze verwachten, ze hadden nu voldoende bagage om zonder al te veel frustratie tot een lopend handschrift te komen. Een ambachtelijk proces dus, wat als ambacht bij de derde klasser heel goed natuurlijk past volgens het leerplan van de vrije school. Een ambacht wat van grof naar fijn gaat en dus ook met overeenkomstig materiaal gebezigd mag en moet worden, want wederom, het gaat niet om het zo snel mogelijk leren schrijven en die z.g. onhandig dikke stiften en potloden verhinderen juist dat de kinderen te snel in het intellectuele, lees spitsere, scherpere komen, maar meer vanuit de grotere beweging, die iedere vorm nu eenmaal ten grondslag ligt, iets wat de euritmie ons kan leren. Beleving is op dit stadium nog veel belangrijker dan tussen de lijntjes kunnen schrijven, iets wat trouwens ook opzettelijk niet gedaan wordt, om het kind zelf vanuit de oriëntatie in ruimte en beweging tot een verstilde vorm te laten komen, waarbij het vanuit een innerlijke activiteit de richting op het papier zelf moet leren sturen. Wat een machtig proces en hoe goed als wilsscholing en eigen innerlijke sturing. Hoe goed wanneer mensen dat op latere leeftijd al wat kunnen, innerlijke sturing kunnen geven. Dat is nu zo’n eigenlijk doel en dat begint o.a. met het leren lezen en schrijven op deze manier.
8 Er is tijd genoeg. De waarnemingen van Steiner, van Lievegoed en ook anderen, laten ons heel zorgvuldig meekijken in de ontplooiing van de kinderen afgemeten aan de tijd, de leeftijdsfaseontwikkeling dus. Die is ons gegeven zodat we niet de tijd als maatstaf nemen, maar de fenomenen die optreden in een bepaalde tijd, zodat we weten wat een kind nodig heeft, om dat ontluikende in de mens, zijn “gereedschap” zo te begeleiden, te snoeien, met kwaliteiten duurzaam te voeden, dat er een mens uit kan ontstaan die datgene op aarde kan doen, doormaken, schenken, waarvoor die gekomen is. En dat kan zuur verstoord worden wanneer iemand meent daar om tijdsredenen iets aan te versnellen.
9 Al het oefenen heeft als eerste en voornaamste doel om meerdere wezenlijkere aspecten in de mens tot ontwikkeling te brengen, te begeleiden. Om dat goed en gemotiveerd te kunnen doen, zou je als een soort hulpmiddel, een soort schijndoel kunnen formuleren, waaraan je het oefenen duidelijker en tot in de puntjes verzorgd zou kunnen ontwikkelen. Let wel, dat doe je om het grotere doel zorgvuldig te schaven. Het schijndoel mag nooit in de vrije school de leidraad van de leerkracht worden. Daardoor zal het oefenen ook een heel ander karakter krijgen. Niet alleen wat je als oefeningen aanbied, maar ook vooral HOE en WANNEER. En de vrije school heeft daar toch een schat aan mogelijkheden, of zou de leerkrachten zo moeten scholen dat ze die mogelijkheden ontwikkelen in plaats van gehoorzaam de schijndoelen van de inspectie te volgen of een waardevol leerplan aan de kant te schuiven omdat iemand iets moeilijk vindt, dat zouden geen argumenten mogen zijn. De vraag is wat de leerkracht met een vraag eigenlijk vraagt, welk antwoord zoekt iemand eigenlijk?
10 Zie bovenstaande met name zeven en negen.
11 Zie bovenstaande met name vijf.
12 Dat Steiner zich vergist zou hebben is goed mogelijk, maar dat ik in vergelijking met Steiner me vergis is vele malen groter en dat durf ik ook gerust over vele andere mensen te beweren. Ikzelf zou niet graag beweren dat Steiner zich vergist heeft, niet omdat ik als een soort slaaf achter mijn meester aan loop, maar omdat ik te vaak heb mogen ervaren dat het klopt wat hij zegt en dat ik alleen kan zeggen dat ik sommige dingen nog niet kan bevatten. Het is me te gemakkelijk om te zeggen dat iemand zich vergist heeft om zo je eigen verhaal meer gewicht of “waarheidsgehalte” te geven. Over de bijbel wordt ook gezegd dat de apostelen zich tegen spreken, zich vergist moeten hebben, dat er fabeltjes in staan, dat wonderen niet bestaan enz. Met alleen het intellect en onze huidige materiële wetenschapsbril op, is dat ook zo. Hoe verhelderend is het dan om te lezen wat bijvoorbeeld Emil Bock daarover heeft geschreven. Ineens krijgen al die zogenaamde tegenstrijdige verhalen een hele belangrijke betekenis. Ze staan er met opzet, ze geven een enorme dimensie aan het geheel. Met welke waarheid willen we nu geconfronteerd worden. Zou ook Steiner niet iets wezenlijks hebben willen uitdrukken en zou hij daar niet verschillende woorden, voorbeelden voor hebben kunnen gebruiken. En wie zegt nu dat hij altijd over het schrijven heeft gesproken wanneer hij iets van letters op het bord heeft geschreven. Het is toch raar dat er zoveel nadruk wordt gelegd op iets wat hij nu net wel of niet gezegd heeft of dat het als tegenstrijdig of niet volledig ervaren kan worden, terwijl hij zoveel dingen wél heeft gezegd waarmee we toch echt vooruit kunnen. Het is toch ook een vraag van instelling, wil je iets begrijpen, of wil je de schriftgeleerde zijn die de vinger precies op de letters kan leggen, zonder het wezenlijke eruit te willen ervaren. In wezen heeft hij toch iets geschonken wat we met het vermogen wat ik in ieder geval heb, nog lang niet kunnen omzetten. Hij is dus niet ouderwets, maar wij zijn volgens mij nog veel te jong, met te weinig instrumenten uitgerust om dat echt om te zetten, hij is dus in mijn ogen te modern. Wij zijn de pioniers van de pioniers van de pioniers….En wie ben ik dan om te zeggen dat Steiner zich vergist heeft. Al zouden we maar een kwart kunnen doen wat er te doen valt, dan mogen we al heel blij zijn.
13 Dat de vrije school “statisch” zou zijn is in dit verband natuurlijk als iets negatiefs bedoeld, net zoals de opmerking dat een leerkracht of een school “traditioneel”is. Persoonlijk zie ik dat inmiddels als een compliment en zou ik willen dat dat veel vaker gezegd zou kunnen worden. In de loop van de jaren zijn er veel veranderingen in de vrije school gekomen, die de schijndoelen bevredigen. Het is natuurlijk altijd de kunst om kritiek of druk van buiten of van binnen realistisch en met fantasie te benaderen, met steeds voor ogen dat we zo min mogelijk van onze eigenlijke opgave prijs geven, we kunnen er gestrekt door worden. Het wordt anders, wanneer door druk van buiten af of twijfels en vragen van binnen uit naar antwoorden worden gezocht die voorbij gaan aan wezenlijke motieven. Wanneer op een school een leerkracht of een college ergens moeite mee heeft, of twijfelt aan een bepaalde werkvorm, dan kan daar verschillend op gereageerd worden, maar het eerste is toch of iemand genoeg informatie heeft waarom je iets zus of zo doet en of iemand ook in staat is een en ander ook op de grond te zetten. Wanneer het schrijven als schrijfonderwijs in de eerst klas wordt gezien, dan zijn er bij God veel snellere methodes dan wat we op de vrije school veelal gedaan hebben en doen. Maar dat zit dus anders in elkaar en wanneer iemand zegt snel met een periode klaar te zijn en meent dan maar aan elkaar te moeten gaan schrijven of zoiets, dan is de vraag of zo iemand wel genoeg informatie heeft over wat je allemaal voor variaties hebt en hoe je dat allemaal net iets anders kunt aanbieden dat het steeds weer zinvol is en blijft. Ik leerde in de eerste tijd op de vrije school dat de werkwijze die ik leerde kennen heel “economisch”was en dat je zeker in de eerste jaren steeds weer hetzelfde in een ander jasje kon oefenen. Dat was geen kletspraat, alleen heeft dat wel een paar voorwaarden. Ik moest leren wat, wanneer, waarom en hoe doe je dat dan, wat zijn de mogelijkheden. In minder tijd dan dat de reguliere scholen aan rekenen besteedden, leerden de kinderen rekenen. Dus economischer en doordat er tijd genomen werd om de dingen echt te laten beklijven, werd gehoor gegeven aan een hoger doel. Tegenwoordig word ik regelmatig gedwongen door bezoeken van inspectie of door weer andere werkvormen om anders met dat rekenonderwijs om te gaan en zie, ook ik moet nu veel meer tijd besteden aan het rekenen en ze kunnen het echt niet beter, eerder in tegendeel. Ook met de z.g. nieuwe schrijfroute is het kennelijk maar de vraag of dat echt iets oplevert, de vraag is dan toch, wat is de echte vraag van de leerkrachten en de kinderen. En dat de kinderen zo veranderd zijn waardoor het allemaal niet meer gaat, dat kan ik slechts voor de oppervlakte misschien wel zien, maar in wezen zijn ze niet veranderd, het is een vraagstuk van autoriteit, hoe verkrijg je die. Doordat ik de achtergrond van de vrije school heb leren kennen en de pedagogie , kon ik de kinderen door mijn eigen overtuiging ook stevigheid geven en wilden ze graag wat van me aannemen en leren, omdat het zo “natuurlijk”was en is. Als dat traditioneel is, dan heb dank.
14 –15-16-17-18 Volgens mij worden deze punten in bovenstaande wel aangeroerd. De zwakke motorische ontwikkeling van enkele of vele kinderen is een reden te meer om al hetgeen wat rond het leren lezen en schrijven met de kinderen op allerlei manieren gedaan zou kunnen en moeten worden ook werkelijk om te zetten. Dus veel bewegingsspelletjes, voor en achteruit lopen, ritmes lopen en bewegen, veel euritmie, handwerken, vingerspelletjes, vormtekenen, kunstzinnig, dus niet intellectueel, tekenen, dus allemaal veel meer tijd nemen in de eerste en ook nog tweede klas om de basis voorwaarden op peil te trekken voor alle kinderen. Dat eens de tijd komt waar we niet meer lezen of schrijven, dat mag dan wel zo zijn, het is alleen de vraag of de vrije scholen, wanneer ze dan nog bestaan, daar dan volledig in mee gaan en we de “onttroning”van het schrift in het geheel ondersteunen. Welk een prachtig, machtig goed instrument zouden we verliezen om vele belangrijke aspecten in de jonge mens te kunnen scholen die de basis vormen om überhaupt mens te kunnen worden zoals ook Steiner daarover gesproken heeft. En wat is dat communiceren dan nog?
Ter afsluiting zou ik nog willen wijzen op het laatste hoofdstuk in het boek:
DER ANFANGSUNTERRICHT IM SCHREIBEN UND LESEN
Erika Dühnfort + Ernst Michael Kranich
Wat door deze wijze van lezen en schrijven bewerkstelligd wordt.
O.a: “De beschreven voorbereidingen op het lezen zijn omvangrijk en hebben een diep aangrijpingspunt. Ze zijn niet beperkt tot het intellectuele-op het geheugengbied, de voorbereidende handelingen hebben pas later op die twee gebieden hun uitwerking, komen dan “aan” als laatste station.
Daardoor kunnen alle kinderen, ook de zwakken en zwaksten, van de uitwerking profiteren.
De voorbereidingen op het leren lezen liggen op het gebied van het kunstzinnig oefenen. Hun betekenis ligt voor een wezenlijk deel in hun wilsvormende kwaliteiten. Daardoor verlangen zij inzet en oefening, ook van de intellectueel hoger begaafde kinderen.
Wat op de weg naar het schrijven en lezen oefenend verzorgd wordt, (schilderen, met kleuren en waarnemen,vormtekenen, oriëntatie in de ruimte en aan het eigen lichaam, spraakvorming in de ruimste zin van het woord), heeft zijn waarde op zichzelf, onafhankelijk van iedere bijzondere doelstelling.
Het legt rijke gedifferentieerde gewaarwordingen aan, die het mogelijk maken, om de uiterlijke alsook de innerlijke omgeving, maar ook de wereld van het denken, veelzijdiger en wezenlijker waar te nemen. Daardoor wordt veruit meer aangelegd, dan wat voor het schrijven en leren lezen nodig is.”
Vertaald door, T.Tromp.
Nog een citaat uit het boek: DE VRIJE SCHOOL
“Is dit omslachtige proces echter niet vervelend voor intelligente kinderen, die misschien al op hun eigen houtje voor het begin van de school hebben leren lezen en schrijven?
Dat hangt alleen maar af van de capaciteit van de leerkracht, de beeld- en bewegingsvormen belangwekkend genoeg voor te stellen voor de leerlingen. Als tekenen en schilderen zelf boeien en de verhalen bij de letters de gemoederen bezig houden, zijn de problemen meestal niet groot. Het kan gebeuren dat een zeven jarig kind zo verdiept raakt in de kunstzinnige bezigheid dat de eerder opgedane leesvaardigheid onwerkelijk wordt, haast verloren gaat, om dan later des te zekerder terug te komen.”
Het is een heel verhaal geworden, maar dit moest wat mij betreft gezegd worden, huilen alleen helpt ook niet, hoewel dat waarnemers misschien wel aan het denken zou kunnen zetten, ikzelf kan me dat gevoel in ieder geval heel goed voorstellen, sommige waardevolle dingen binnen de vrije school worden te snel overboord gezet terwijl dat essentiële waarden zijn, die niets met sentimentaliteit te maken hebben maar ergens op berusten.
Gegroet, T. Tromp. |
|